Transgrancanaria Advanced, 86 km, 7 maart 2015
Edward back-on-track!
9e in zijn nieuwe categorie M50

transcanaria
Het zou de eerste serieuze test worden voor Edward in zijn voorbereiding voor de UTM.
Op Gran Canaria kun je kiezen voor 5 varianten. De 'Advanced' variant kent 4700 hoogtemeters.
Je mag er 20 uur overdoen en omdat de start om 9u 's morgens is, kunt je tot de volgende dag om 5u finishen.
Gelukkig wist Edward voor middernacht binnen te zijn.
Via de sms liet hij weten:
Voor zoiets moet je toch wat meet trainen. Bij de laatst afdaling was ik voor het eerst echt bang. En ze hadden de boel een beetje verlegd dus 86 i.p.v. 83 km SMILEYS_SAD

86km netto
Edward Pechler, 9e plaats M50, 6.32km/u 13:24:37


Link naar de website

Edward heeft veel leuke, uitdagende en gevaarlijke 'trainingstrails' op zijn programma staan in de voorbereiding voor de UTM.
Dit is een eerste zeer serieuze test voor Ed en zijn Enkel.

Ik daal behoedzaam af. Behoedzaam klinkt positiever dan langzaam........
Al ben ik nu waarschijnlijk niet echt leuk gezelschap. Maar het is goed om even mijn race-ervaringen te kunnen delen al zijn het op dit moment meer racefrustraties..........
Nee, ik ga wel door maar het wordt een latertje", antwoord ik, en hang op.

Lees verslagje van Edward>>>

Wat is er zo leuk aan een Ultratrail? Met een gladgeschoren kop een race starten, vervolgens meerdere malen dood gaan en finishen met een stoppelbaard. Is dat leuk? Vroeger maakten we stadstripjes om ergens in het buitenland een marathon te lopen. Tegenwoordig voelen we ons niet meer zo op ons gemak in een stad en zijn we liever ver weg van de drukte. De stedentripjes hebben we ingeruild voor bergbestemmingen en de marathons voor (ultra)trails.

Gran Canaria heeft nooit op mijn vakantiebestemmingenverlanglijstje gestaan. Gran Canaria associeer ik met mensen die even ontsnappen aan de prestatiedruk van de maatschappij en helemaal losgaan. Of jongeren die voor het eerst zonder ouders op vakantie gaan. Kortom een feestende zuipende menigte met alles wat daarbij hoort. Of het andere uiterste: een strandvakantie, met misschien een busexcursie door het binnenland. Beide niet mijn ding. Maar bij het zien van de beelden van de Transgrancanaria ultra zie ik vooral mooie natuur en bergen. Al snel heb ik me ingeschreven, mijn medical certificate door dokter Vanessa laten ondertekenen en heb er een mooie stempel bij gephotoshopt. Voor mij is het een mooie training voor de UTMB en Vanessa is nooit te beroerd om een weekje naar een warm klimaat te gaan. De volledige ultra van 125 km was (gelukkig) al vol. 83 km is een mooie overzichtelijke afstand. Omdat de finishplek verplaatst is wegens andere activiteiten zijn alle afstanden met anderhalve kilometer verlengd. 84,5 km wordt het dus.

Als we met de huurauto, op weg naar het huisje, over een zesbaansweg door Las Palmas rijden, twijfel ik. Wat een grote drukke stad. Maar al snel kronkelen we over bergweggetjes richting het binnenland, en laten we de drukte achter ons. Het huisje bevindt zich op 2 kilometer van Fontanales, een ingeslapen dorpje op 1000 meter hoogte, waar zaterdag ook de start is. Het huisje is alleen te bereiken over een steil omhooggaande, half onverharde privé weg. Het is er aangenaam rustig. Het geluid van de vele vogels, waaronder natuurlijk de bruine kanarie, enkele blaffende honden, koebellen en het uitzicht over het glooiende landschap vraagt om nietsdoen.

We hebben nog een weekje voordat de wedstrijd begint. Nietsdoen betekent voor ons iets anders dan niksdoen. Ik "train" de eerste drie dagen een beetje in de bergen en we maken enkele tochten. Zonder GPS en internet is het vinden van de juiste route een stuk moeilijker, maar zo komen we wel op verrassende plaatsen waar we anders nooit terechtgekomen zouden zijn. Van het toerisme is in de bergen niets te merken. We komen zelfs helemaal geen toeristen tegen. Bewegwijzering is niet het sterkste punt van de Spanjaarden en ontbreekt op de meeste plekken. Oude mannetjes langs de bergpaden, die de kunst van het nietsdoen volledig beheersen, zien aan onze outfit wat wij zoeken en wijzen ons vriendelijk de verborgen trails. Ik heb al twee weken niet echt meer gerend om mijn enkel rust te gunnen. In vorm ben ik nog lang niet. Bij elke afdaling ben ik extra voorzichtig en durf ik nog niet naar beneden te denderen. Maar dat is niet erg. Ik ben hier om te trainen en niet om de Transgrancanaria te winnen.

Donderdag halen we mijn startnummer op in de finishplaats Meloneras, aan de zuidkust. We rijden door het binnenland en zien het groene landschap langzaam veranderen in een dor landschap. De bergen zijn er niet minder om. De autoroute van Fontanales naar Meloneras is 70 km en duurt bijna twee uur. Zaterdag leg ik deze route opnieuw af maar dan zonder auto en over niet geasfalteerde bergpaden. Met een klein uitstapje naar Teror is het dan 14,5 kilometer langer. De kustplaats is, zoals verwacht, lelijk en vol "verleidingen". Opvallend veel reclames voor horloges. Gelukkige gezichten lachen je toe vanaf de billboards om een horloge - met een prijskaartje van een mooi vrijstaand huisje in Groningen - te koppelen aan het ultieme geluk. Een pakkende marketingtekst op een billboard met een gelukkige moeder met dochter zegt alles: "You never actually own a Patek Philippe, you merely look after it for the next generation." Hoe bizar om deze belangrijke boodschap over onze aarde en alles wat er op leeft, te misbruiken om je te verleiden tot de aankoop van een horloge. Dankzij al deze onzinnige verleidingen lukt het me om mijn startnummer af te halen zonder mij te laten verleiden om nieuwe schoenen te kopen.

De verplichte uitrusting bestaat uit een hoofdlamp met extra batterijen, een rode lamp achterop, een regenjas, mobiele telefoon, anderhalve liter water, genoeg eten, een muts en een warmtedeken. Trailrunning is rennen met een gewichtsvest. Je sleept al snel kilo's extra mee de bergen op. Ik neem als extra, behalve mijn stokken, ook mijn enkelbrace mee voor het geval mijn enkel het begeeft.

De start is om 07:00 uur. Om mezelf toch een doel te stellen wil ik proberen voor het donker wordt te finishen. Twaalf uur de tijd heb ik dan. Gemiddeld tempo van 8:30. Dat klinkt langzaam maar voor een bergultra is dat best snel. De eerste 40 kilometer lijkt op papier het zwaarst. Na het bereiken van 1900 meter hoogte na ongeveer 40 kilometer wordt er meer afgedaald dan geklommen maar het is moeilijk in te schatten hoe steil de afdalingen zijn. Ook de op papier kleine klimmetjes kunnen in de praktijk nog behoorlijk tegenvallen.

Het klimaat op Gran Canaria is het hele jaar door het beste op aarde. In het voorjaar rond de 21 graden. Het is de hele week al mooi weer en ik ben zelfs voor het eerst in mijn leven verbrand op een tocht door de bergen. Maar vannacht is het hard gaan waaien en dat is bij de start niet anders. Ik trek toch maar een windjasje over mijn singlet aan. Bijna was ik zelfs in een rokje gestart, maar gelukkig was Vanessa helderder dan ik ben in de vroege morgen en zag ze dat ik niet mijn salomon broekje maar haar salomon rokje had aangetrokken. De start is, zoals zo vaak bij deze wedstrijden, bij de dorpskerk. Het dorp is nog steeds ingeslapen. De luiken zijn dicht en het zijn vooral bekenden van de lopers die bij de start staan. Ik schat dat er een 600 deelnemers zijn aan deze afstand.

Als we vertrekken gaan we meteen het steilste pad in het dorp op om via "het verborgen pad", dat Vanessa en ik eerder deze week hebben gelopen, de eerste berg op te gaan. Het wordt al licht maar in de schemering ben ik zo blind als een mol, dus ik ben gestart met hoofdlamp. Het is een super smal pad en dat betekent: in file de berg op wandelen. Op zich is dat helemaal niet erg. Zo verspeel je je krachten niet meteen. Ik wandel rustig mee. De stokken laat ik nog even aan de rugzak zitten.

Vervolgens dalen we een stukje over een bergpaadje die Vanessa en ik vanaf de andere kant hebben gelopen. Hier wordt iets meer gerend maar het blijft oppassen met zoveel mensen. We klimmen weer een stukje en zijn bij de eerste verzorgingspost. Ik voel me nog wel goed al heb ik het al behoorlijk warm gekregen. Ik trek mijn windjasje uit, zodat de wind wat verkoeling kan brengen. Gemiddeld tempo nog onder de 8 minuten per kilometer. Vervolgens gaan we echt klimmen. Vanaf 14 km tot 24 km klimmen we 1000 meter. Vreselijk steile en moeilijke paden. Ik voel mijn krachten wegvloeien. Kilometertijden van rond de 10 minuten zijn normaal. Ik doe ruim 1 uur en 45 minuten over deze 10 km. Ik probeer m.b.v mijn stokken een ritme aan te houden maar dit is echt heftig. Niet alleen is het steil maar als je aan de windkant van de berg komt, waaien je stokken constant tegen je voeten. Ik had nog gehoopt dat ik in ieder geval van de afdaling zou kunnen genieten, maar niets is minder waar. Ik weet niet goed of het komt door mijn enkel maar ik zie opeens het gevaar. Veel losse stenen die als pad fungeren en veel van de stenen zijn vlijmscherp. Ik daal behoedzaam af. Behoedzaam klinkt positiever dan langzaam. In de dorpjes en onderweg vooral Spaanse aanmoedigingen: "Vamos vamos, venga venga en "Animo Mango". Mango omdat ik als naam Mango Ed op mijn startnummer heb laten zetten. Al heb ik hier nog geen mango gegeten maar vooral lekkere grote papaya's. Na ongeveer 20 kilometer ben ik het zat. Mijn lijf doet overal pijn en het klimmen en afdalen gaan me beide moeilijk af. Het gemiddelde tempo kruipt ondertussen richting de 10:00 minuten per kilometer. De eerste twee beklimmingen met bijbehorende afdalingen slopen me volledig. Ik weet dat ik niet genoeg getraind heb sinds mijn enkel. Maar dat alles zo zeer kan doen, ken ik alleen van verhalen van Vanessa. Ik begrijp haar opeens volledig. Snap heel goed waarom zij zich niet heeft ingeschreven. Het is gewoon niet leuk als je niet goed genoeg getraind bent.

Ik wil stoppen maar weet ook dat ik daar niets mee opschiet. Ik ben hier nu en deze ervaring kan alleen maar helpen om straks de UTMB, die nog eens honderd kilometer verder is, beter aan te kunnen. En ondanks de pijn blijft het prachtig in de bergen. Op weg naar het hoogste punt worden we nog even naar de toeristische attractie, Roque Nublo, omgeleid. Twee vulkaanpijpen op een tafelberg. Rennen op de tafelberg is nauwelijks te doen. Voor de vulkaanpijpen staan twee mensen van de organisatie die je startnummer scannen, je succes wensen en dan mag je weer terug. De groene bergen uit het noorden zijn ondertussen verruild voor de meer droge, rotsachtige bergen in het zuiden. Ik neem even de tijd om de rotsformaties om mij heen in mij op te nemen voordat ik aan een korte afdaling begin op weg naar een grote verzorgingspost op 1872 meter hoogte. Als ik bij de verzorgingspost aankom heb ik er 39 kilometer opzitten en ben ik al bijna 6,5 uur onderweg. Nog maar 46 km te gaan. Het wordt een lange dag. Bij deze verzorgingspost is een uitgebreide catering. Ik neem pasta zonder saus maar dat valt niet goed. Het is pasta met veel olijfolie eroverheen. Ik schrok toch de helft naar binnen maar zie dan dat ze ook papas canarias hebben. Lekkere, kleine, in de schil gekookte aardappeltjes. Dat zijn betere koolhydraten dan die vette hap. Ik eet er een paar op en vul mijn drinken bij. Neem nog wat fruit en zet me langzaam in beweging. Op naar het hoogste punt op 1938 meter. Het klimmen is weer begonnen.

Vanessa wacht op mij bij de verzorgingspost op het 52 km punt in Tunte. Na de korte, maar heftige beklimming moet ik eerst nog even ruim 1000 meter afdalen over een afstand van een kleine 10 kilometer. De harde wind blaast veel Afrikaans zand over het eiland. Het Saharazand en de hitte maken mijn haar en mond gortdroog. Ik stop halverwege de afdaling om te plassen. Mijn urine is donkergeel. Duidelijk te weinig gedronken. Maar het water smaakt vies en de cola komt mijn neus uit. De afdaling sloopt me, mijn enkel voelt nog te onzeker en mijn bovenbenen vinden het allang niet leuk meer. Als ik eindelijk in Tunte aankom ben ik blij om Vanessa te zien. Al ben ik nu waarschijnlijk niet echt leuk gezelschap. Maar het is goed om even mijn race-ervaringen te kunnen delen al zijn het op dit moment meer racefrustraties. Ook ben ik het Spaanse gelul om me heen even zat. Onderweg heb ik wel even Nederlands gesproken. Ik kwam Jan tegen, die vorig jaar ook de Lavaredo Ultratrail liep met als doel kwalificatie voor de Western States. We hebben onze ervaringen van vorig jaar en de plannen voor dit jaar uitgewisseld en daarna ben ik gaan plassen en heb hem laten gaan. Hij is dit keer duidelijk in betere vorm dan ik.

Ik ga weer op weg en Vanessa rijdt verder naar de volgende verzorgingspost die op 66 km ligt. Ik moet die 15 kilometer nog even lopen. En om daar te komen natuurlijk een berg beklimmen. De beklimming begint met eindeloze trappen langs de berghuisjes. Al doet alles pijn ik geniet, tussen het vloeken door, van de bergen en de uitzichten. Ook van het schijnbaar simpele leven van de bewoners. De aardappels worden met de hand gepoot en een vader met kind hebben net een sinaasappelboompje gepland en geven hem samen veel water. Teveel om me heen kijken terwijl ik ren is niet verstandig. Bij een gewone wegwedstrijd kan je makkelijk wegdromen. Als je hier even opkijkt is de kans groot dat je dat moet bekopen met een "face plant". Vandaar dat ik soms even stop om om me heen te kijken. Terwijl ik de omgeving in me opneem, vergeet ik de pijn. Als ik eindelijk de berg heb beklommen en aan de afdaling wil beginnen, heb ik een prachtig uitzicht op de verzorgingspost 700 meter onder mij. Als het goed is wacht Vanessa daar op me. Dan kijk ik naar het pad en ik ben voor het eerst in mijn leven verschrikkelijk bang om af te dalen. Ik ga even zitten en bel Vanessa. Ik ben slechts enkele kilometers van haar verwijderd maar moet 700 meter afdalen. Een dalingspercentage van bijna 20% over een pad dat eruit ziet als een zootje op elkaar gestapelde wankelende stenen. Ik zie vooral de scherpe stenen. Ik heb vandaag al iemand voor mijn ogen onderuit zien gaan op dit soort stenen en dat zag er niet lekker uit: behalve dat beide knieën open lagen, hing er ook een stuk van zijn handpalm los. “Hey, ik kan de verzorgingspost zien maar de afdaling ziet er levensgevaarlijk uit. Ik ben doodmoe en moet eerst even moed verzamelen. Dus het kan wel even duren voor ik er ben", zeg ik tegen Vanessa. Vanessa vraagt of ik stoppen wil. "Nee, ik ga wel door maar het wordt een latertje", antwoord ik, en hang op.

Maar natuurlijk wil ik stoppen. Al vanaf kilometer twintig, maar volgens mij is dit de laatste grote berg. Als ik beneden ben is het nog 19 km relatief vlak naar de finish. Het zou stom zijn om dan te stoppen. Hoe voorzichtig ik ook afdaal, meerdere malen ga ik bijna onderuit. Ik snap op dat moment echt de lol er niet van. Waarom wil ik dit zo graag? Waarom ga ik niet gewoon in Haren rennen? Gelukkig zijn we enkele dagen voor vertrek "getrouwd" en is het huis en dergelijke geregeld voor het geval ik hier de dood vind. Als ik na veel angstige momenten eindelijk beneden kom hoor ik Vanessa, maar zie haar niet. Door al de concentratie die ik nodig had om beneden te komen, de uitputting van mijn lijf en de angstige momenten ben ik even van de wereld. Als ik haar eindelijk zie, wil ik vragen om de smoothie die ze mee heeft genomen, maar ik kan niet meer op het woord komen. Mijn hersenen werken niet meer. Een deelnemer die mij bovenaan de berg vroeg of het ging toen hij mij angstig naar beneden zag staren slaat me op de schouder en zegt: "You made it!" Vanessa heeft van alles meegenomen maar behalve de smoothie heb ik niets nodig. Mijn rugzak zit nog vol met gelletjes en repen. Ik heb deze keer geprobeerd om meer gelletjes te nemen. Men adviseert om elke 45 minuten een gelletje te nemen maar dat is werkelijk onmogelijk. Hoe lekker een gelletje ook is na een paar smaakt het chemisch en gaat het me tegenstaan. Ik prop me bij de verzorgingspost dan ook maar weer ouderwets vol met banaan en sinaasappel. Bestudering van het hoogteprofiel dat op het startnummer staat, bevestigt mijn gedachte dat dit de laatste hoge berg was en dus ga ik door. Al moet ik 19 kilometer wandelen. Voor het donker finishen heb ik allang uit mijn hoofd gezet.

Al na een paar honderd meter moet ik toch weer klimmen. Dit keer gelukkig niet zo hoog maar toch. Daarna kan er gerend worden. Het is niet een heel moeilijk pad maar het blijft opletten. Gemotiveerd blijven om te rennen valt nu niet mee. Vooral omdat ik steeds meer deelnemers zie wandelen met een lege blik in hun ogen. Maar wat duurt een kilometer lang als je wandelt. Ik begin toch maar weer te rennen en dat gaat redelijk. Maar het lijf is moe en wil elke 100 meter stoppen met deze onzin. Maar wandelen is ook niet pijnloos en als ik ren ben ik eerder bij de finish. Ik ren stukken als ik weer wat vertrouwen heb. Het vertrouwen verdwijnt meestal nadat ik meerdere malen tegen een steen aan schop en bijna struikel door vermoeidheid. Dan wandel ik een stukje en begint het spel weer opnieuw. Ik probeer mezelf weer te motiveren om te rennen. Met hernieuwd vertrouwen, begin ik weer te rennen, totdat ik weer bijna op mijn muil ga, en het motivatiespel weer opnieuw begint.

De laatste verzorgingspost is verder dan verwacht. Al probeer ik zoveel mogelijk te rennen, er is na alweer een klimmetje een stuk waar ik absoluut niet durf te rennen. Het is niet erg steil, maar ik ben te moe om alles te ontwijken en ook hier zijn de stenen vlijmscherp. Ik laat de ene na de andere loper voorbijgaan en beweeg me al struikelend in een slakkengangetje voort. Als de laatste post bereikt is, kan ik alle uitnodigende stoeltjes niet weerstaan en ga ik zitten. De vrijwilligers zijn behulpzaam en vullen mijn flesjes bij en halen cola voor me. Een vrijwilliger komt naast me zitten en spreekt me in het Spaans toe. Als ik in goede doen ben, snap ik het al niet maar nu klinkt het echt buitenaards. Ik lach vriendelijk en probeer hem duidelijk te maken dat alles goed is. Die laatste negen lullige kilometers ga ik nog even lekker rennen, neem ik me voor. Het is ondertussen donker geworden. Ik zet mijn hoofdlamp op, doe mijn rode achterlicht aan en ga met lichte tegenzin op weg.

Het pad is vlak en breed. Onverwacht lekker rent dat. Maar zoals aan alles komt hier al snel een eind aan doordat de organisatie nog iets leuk voor het einde heeft bewaard. Als we de finishplaats Meloneras binnenkomen realiseer ik me eerst niet waarom er opeens weer zoveel keien liggen. Het is wat heiig en daardoor zie ik het niet echt goed met mijn hoofdlamp. Ik wandel de moeilijker stukken. Opeens ren ik door een brede vlakte met allemaal grote keien die met wat tussenruimte naast elkaar in beton zitten gegoten. Ik ren geconcentreerd van kei naar kei maar het kost me veel moeite mijn concentratie en evenwicht te bewaren met een lijf dat overal pijn doet en helemaal niet meer wil rennen. Ik heb ibuprofen in mijn rugzak. Veel ultralopers slikken dat aan het einde van een wedstrijd. Maar ik vind het toch een beetje smokkelen en heb het alleen maar bij me voor als ik weer door mijn enkel zou gaan en ik nog een berg af moet. Deze pijn is geen gevolg van een blessure maar van te weinig lange afstand training en het verwaarlozen van krachttraining en core trainingen. Mijn buikspieren doen pijn en het is moeilijk rechtop te blijven lopen. Ik realiseer me dat we door een droge rivierbedding rennen. Soms gaan we onder een brug door. Een Elfstedentocht gevoel, al zijn er maar weinig toeschouwers. De meeste mensen zijn aan het feesten. Ik hoor o.a. de vogeltjesdans. Alles in me wil gewoon op de weg lopen. Daar waar de wandelaars ons raar aankijken en soms aanmoedigen. Maar ook dat is smokkelen. Als we eindelijk, na 2,5 kilometer, de rivierbedding mogen verlaten, kan ik tenminste weer rennen. Ik herken de billboards met horloges. De finish kan niet ver meer zijn. Heerlijk ren ik door het stadje.

Maar vlak voor het einde nog een laatste grapje van de organisatie. We mogen nog een rondje over het strand. Niet over een mooi strand op Terschelling maar door het losse zand. Ik wandel. Hier valt niet te rennen. Ik zie een ander die het rondje strand negeert. Het kan natuurlijk dat hij het gemist heeft, maar het is zo duidelijk aangegeven dat zelfs ik hier niet fout kan lopen. Het lijkt een opzettelijke daad van verzet. Maar ik zie het als ordinair smokkelen. Dan nog een paar straatjes door en ik leef helemaal op. Wat kan gewoon rennen op straat lekker zijn. Even niet de geconcentreerde blik op de grond om te zien waar ik mijn voeten neer kan zetten, maar even wegdromen terwijl je benen je, schijnbaar moeiteloos, voortbewegen. De finish is in zicht. Vanessa, die ik vanuit de rivier nog had gebeld om te melden dat ik er bijna was, maar dat het nog even kon duren omdat ik weigerde te rennen op de rivierbodem, kwam bijna te laat. Nog even over de rotonde, dan nog een klein omweggetje om van de juiste kant langs de tribune de verhoogde finish te passeren. De aanmoedigen klinken als muziek in mijn oren. Een enthousiaste speaker noemt mijn naam: "Mango!" Wat een goed gevoel. Niet dat hij mijn "naam" noemt maar dat ik eindelijk mag stoppen. En op mijn eerste vraag wat er nou zo leuk is aan een Ultratrail, heb ik even geen antwoord.
Groet,
Edward. Fotoalbum Gran Canaria

Zie ook deze artikelen:
Nieuwere artikelen:
Oudere artikelen:

 
© 2000-2018  Loopgroep Bedum, webmaster Peter v.d. Hulst