Edward's verslag Groβglockner Ultra-Trail, 27-28 juli 2018
Geschreven door Edward   
Bloedmaan



Aan slapen denk ik niet meer, aan opgeven des te meer.
Slaapdronken vul ik mijn waterflesjes en eet nog wat meloen. Weg hier.
Ik ga het niet redden. Heb totaal geen kracht om deze stenen te beklimmen.
De laatste horde die ik nog moet nemen is langs een stier met jongen.

Bloedmaan

Met niet teveel lopers in mijn buurt, schakel ik mijn hoofdlamp uit. We zijn bezig met de eerste klim en zijn net uit een trail in het bos gekomen en rennen nu een over een brede panoramaweg langs de bergwand. Eerst zag ik haar links van mij, maar nu gloeit de volledig verduisterde rode maan, recht voor mij, vergezeld door een fel rood led-lampje, mars. Later bij de afdaling zie ik dat het zonlicht de linkerkant van de bloedmaan bereikt en doordat de rest nog in de schaduw is lijkt de weerkaatsing van het zonlicht extra fel. Langzaam krijgt de maan vanaf haar linkerkant weer haar vertrouwde kleur. Maar hoe prachtig het ook is om juist nu, met deze volledige maansverduistering hier in de bergen te zijn, ik voel me fysiek, nu al behoorlijk klote.

Het blijft moeilijk, starten om 22:00 uur. Slapen overdag lukt niet. Het blijft bij liggen en uitrusten. Ook was er, alleen vandaag, de mogelijkheid om het startnummer op te halen. Dat betekent: naar het dorp fietsen, wachten in de rij voor de controle van je uitrusting en wachten in de rij voor de uitgifte van het startnummer.

Gelukkig is het de laatste dagen en ook vandaag prachtig weer. Hoe avontuurlijk het ook is om met slecht weer door de bergen te rennen, mijn voorkeur gaat uit naar een warme nacht en een zonnige dag. Als we bijna klaar zijn om naar de start te fietsen begint het echter heftig te onweren. Het zal toch niet? Gelukkig klaart het op en is het droog als we richting start fietsen. Voor de start worden Vanessa en ik bruut uit elkaar gerukt. Blijkbaar behoor ik met mijn lage startnummer tot de snelle lopers die vooraan mogen starten. Waar ze die wijsheid vandaan hebben is me een raadsel.



Wij gebruiken deze race voor kwalificatie voor de Western States 100 Endurance race. Dat ik daar in 2016 niet wist te finishen, is de enige DNF waar ik echt spijt van heb. De kwalificatie-eis voor de Western States is deze race finishen binnen de 28 uur. Dat had eigenlijk al een belletje moeten laten rinkelen. Normaal is er een tijd van slechts 22 uur vereist op een race met deze afstand en hoogtemeters.

De eerste tijdslimiet is een behoorlijk strakke. We moeten om 02:00 uur in Ferleiten zijn. Vier uren om de eerste 22 km met 1500 hoogtemeters te volbrengen. In de bergen betekent dat flink doorlopen. Na 3 uur en 15 minuten ben ik er. Later zie ik dat Vanessa er een half uurtje later is. Gelukkig heeft ze het gehaald. Hierna zijn de tijdslimieten wat ruimer. De volgende klim hebben we enkele weken geleden al een keer getraind. In het laatste deel liepen we zigzaggend over de sneeuwvlaktes om de top te bereiken. Er ligt nu niet minder sneeuw, maar de sneeuw is in deze warme nacht, iets papperiger en van zigzaggen is geen sprake meer. Gewoon recht omhoog klauteren. Prachtig om dat midden in de nacht, met volle maan, te doen.

Ik voel me nog steeds zwaar misselijk en mijn voeten doen pijn bij het klimmen. Natuurlijk niet verstandig op een nieuw merk schoen (running on clouds) te starten, maar mijn favoriete The North Face schoenen zijn hier nergens te koop. Ik verlang nu al naar mijn oude, ietwat versleten, TNF schoenen in mijn dropbag. Maar die dropbag is pas in Kals, op 62 km. Daar ben ik nog lang niet. Ik begin aan opgeven te denken. Het idee dat ik bij de volgende post op de bus naar Kaprun kan stappen geeft rust. Klaar mee.

De afdaling naar de verzorgingspost bij de Glocknerhaus gaat redelijk. Het afdalen op die schoen gaat best lekker. Het blijft uitkijken op de smalle tracks met zichtbare en soms wat verborgen stenen. Ik moet zelfs inhouden omdat er nog teveel lopers op de, wel heel smalle, singletrack lopen. Als ik weer vrij baan heb, gaat mijn hoofdlampje knipperen. Die oplaadbare accu’s worden wel erg snel slecht. Ik wissel van accu en vervolg de afdaling. Als ik bij de Glocknerhaus aankom heb ik ineens drie uur voorsprong op de tijdslimiet. Ja dan is stoppen wel heel stom.

Ik heb honger maar iets warms eten gaat niet. Dan maar een paar stukken watermeloen. Ik daal in een slakkengangetje af naar het stuwmeer. Stuwmeren hoog in de bergen zullen we meer tegenkomen deze race. De kracht waarmee de watervallen de stuwmeren vullen is indrukwekkend. Nog nooit heb ik zoveel grote watervallen gezien tijdens een race. Het begint al licht te worden en de voorspellingen zijn dat het ruim boven de dertig graden gaat worden. Ik hoop dat het opkomen van de ochtendzon, de misselijkheid zal verdrijven.

De volgende verzorgingspost is over 14 km. Om daar te komen moeten we weer 1500 hoogtemeters overwinnen. Het klimmen gaat nog steeds moeizaam. Ben nog steeds misselijk en de hoogte maakt het niet makkelijker. De dag begint net maar ik wil slapen. Even de ogen dicht. Ik scan de omgeving naar een mooie steen waar ik op kan gaan liggen. Ik merk dat ik niet helder meer kan denken. Na uren in donker te hebben gelopen, met mijn hoofdlamp als lichtbron, lijkt de ochtendzon zo krachtig. De omgeving wordt scherp, de kleuren uitbundig. De bladeren van overhangende takken, wapperen als handjes over de trail. Alsof ze vragen om een high five. Het begint warm te worden. Aan slapen denk ik niet meer, aan opgeven des te meer. Het is maar goed dat je in de bergen niet zomaar overal kan stoppen. Je zal door moeten naar een post moeten waar een auto of kabelbaan naartoe gaat.

Iedere keer als ik probeer in de app van Datasport te zoeken of Vanessa nog on the move is, heb ik geen bereik. Ik vraag me af of de tracker die we bij ons hebben wel werkt zonder telefoonverbinding. Ik ben doordrenkt met zweet, en ben wankel van het weinige eten en geen slaap. Ik kom wandelaars tegen die al vroeg op pad zijn. Voor mijn gevoel is het al ruim in de middag maar het is nog maar 07:00 uur. Ik wens ze allemaal, al komt het er soms moeizaam uit, een gute morgen. De “weg” naar de top bestaat uit kleine scherpe stenen en veel gruis. Zigzaggend door het gruis beklim ik de top. Het blijft een rare bezigheid deze wedstrijden. Het is prachtig om hier in de bergen te zijn en deze afstand te voet af te leggen, maar ondertussen wil je het liefst kappen met deze onzin. Ook het eerste deel van de afdaling bestaat uit glijden door het gruis. Ik ben hier niet echt goed in en daal voorzichtig af.

Bij de verzorgingspost zie ik nauwelijks wat er op tafel staat en ga meteen voor de watermeloen. Zelfs een banaan ziet er niet aantrekkelijk uit. Voordat we in Kals zijn komt er nog een tussenklimmetje. Vol in de zon blijkt het klimmetje een behoorlijke klim te zijn. Een prachtige klim tussen weelderige begroeiing. De kleuren van de wilde Alpenbloemen zijn prachtig. Hoe hoger je komt hoe kleiner en kleurrijker de bloemetjes worden. Het houdt mij op de been en ik klim gestaag door. De afdaling naar Kals is langer dan verwacht, maar als je blijft bewegen kom je er toch.

Kals. Hier kán ik stoppen. Ik haal mijn dropbag en moet een beetje lachen. Wat een zware tas. Vol met gelletjes, repen en meer eten. Ik heb nauwelijks iets gebruikt van wat ik bij me had dus aanvullen heeft geen zin. Voel me een beetje verloren hier met mijn volle dropbag. Ik tuur in de zak en vraag me af of ik verder moet gaan. Gisteren bij het vullen van de dropbag dacht ik nog: “Als ik in Kals ben dan ga ik het wel halen”. Nu ben ik er niet zo zeker meer van. Ik pak de handdoek en droog me af. Trek een droog shirt aan en wring mijn opgezette voeten in mijn oude TNF schoenen. Het lijkt erop dat ik toch nog maar op pad ga. Het is pas 10:00 uur. Te vroeg om te stoppen. Ik strompel naar het eten en vraag om een kleine pastamaaltijd. De dame schept een behoorlijk bord vol en vraagt of het zo goed is. Ik ben te moe en knik vriendelijk naar haar. Na 2 hapjes kan ik niet meer. Ik blijf nog even rusten en probeer moed te verzamelen om op pad te gaan. Ik weet dat de weg naar de volgende post een makkie is. Vals plat over een goed begaanbare onverharde weg, langs een prachtige diepe kloof waar onderin een rivier stroomt. (Klamm)

Enkele weken geleden rende ik hier met Vanessa het grootste deel omhoog. Nu wandel ik. Tergend langzaam. Mijn pijnlijke voeten moeten wennen aan de andere schoenen. Het begint gênant te worden. Ik probeer nog m.b.v mijn stokken tempo te maken maar ik word zelfs ingehaald door wandelaars met grote rugzakken. Toch maar beetje rennen. Eindelijk de verzorgingspost. Een muziekkapel vrolijkt de boel op en er staat een tap met alkoholfrei Weizen Bier. Ik tap een biertje en laat me neerploffen in een ligstoel. Het bier is het eerste deze race dat lekker smaakt. Ondertussen is het bloedheet geworden en ik ga op zoek naar een andere stoel in de schaduw maar er is nergens schaduw. Er loopt een man van de organisatie rond. Ik vraag me af of ik snel naar Kaprun gebracht kan worden als ik hier stop. Ik probeer zijn aandacht te vangen maar hij is druk met andere dingen bezig. Ik sluit mijn ogen en denk aan Anton Slagers zijn woorden, die bij zijn laatste race, 10 km voor de finish overhaast gestopt was: “Altijd eerst even rustig zitten voordat je het besluit neemt te stoppen.”

Ik moet gewoon gaan. Misschien komt de energie later nog wel vandaag. Het is ook zonde om op zo’n prachtige zomerdag te stoppen. Ik ga weer op weg en als ik net aan de klim over grote stenen ben begonnen, slaat de twijfel toe. Ik ga het niet redden. Heb totaal geen kracht om deze stenen te beklimmen. Ik stop en draai me om, en wil terug lopen naar de verzorgingspost. Een andere deelnemer komt me tegemoet. Ook hij zwoegt maar als hij mij passeert en ik zijn blik vang weet ik dat ondanks de pijn, vermoeidheid en algehele lamlendigheid, ik op dit moment nergens liever wil zijn dan hier in de bergen. Hier voel ik me meer op mijn gemak, dan in de dorpjes.

Ik keer me weer om en zoek mijn weg over de grote stenen. Overal om mij heen staan meters hoge planten in bloei. Ondertussen denk ik aan de dorpjes waar we afgelopen week uitgerust hebben: Zell am See en Kaprun. In de winter overspoeld door Nederlandse wintersporters en nu, in de zomer, door vooral Arabische toeristen, inclusief boerka’s en hoofddoekjes. Hoofddoekjes vind ik al een vorm van onderdrukking, laat staan boerka’s. Ik zal er nooit aan wennen. In de bergen kom je ze niet tegen, maar in de dorpjes lopen ze, altijd met de telefoon in de aanslag, te shoppen. Als je ze ziet rijden, rijdt de man en de gesluierde vrouw ernaast is bezig met haar telefoon. Ook zitten ze graag ergens in het gras. De mannen en de in boerka’s gehulde vrouwen gescheiden. Het straalt niet bepaald gelijkheid en vrijheid uit. Sowieso is het observeren van de gemiddelde mens tegenwoordig een motivatie om door te gaan. Langzaam evolueert de mens qua lichaamsbouw terug naar een mensaap. Dikke ronde buik vooruit, hoofd gebogen, starend naar een beeldscherm.

Ik ga naar de Rudolfshütte en beslis daar wel of ik aan de laatste klim begin. Eerst even al klauterend over deze grote stenen, het pad zoeken. Daarna langs een meertje en via een redelijk renbaar geitenpaadje tussen de schapen door, of zijn het toch geiten, naar de klim naar de top. Navigerend langs sneeuwvelden kom ik eindelijk boven en zie in de verte de Rudolfshütte al. Het lijkt vlakbij maar de trail ernaartoe is behoorlijk lang en de afdaling is, door alweer een grote stenen puinzooi, voor mij in het begin, nauwelijks renbaar.



Omdat er een kabelbaan naar de Rudolfshütte gaat is het hier wat drukker met toeristen. Elke keer denk ik Nederlanders te horen maar als ik dichterbij kom verandert de taal langzaam in iets anders. Meestal Oostenrijks. Het accent hier klinkt wel heel Nederlands, of ligt het aan mijn gebrek aan slaap? Als ik eindelijk bij de Rudolfshütte aankom ben ik op. Er staat allemaal warm eten klaar maar ik kan niet meer lezen wat het is. Ik snap helemaal niets meer van de teksten die erbij staan. Als ik vraag wat wat is krijg ik antwoorden waar ik ook niets aan heb. Ik neem een soepje en gooi er wat vage crutonachtige bolletjes in. Moet toch iets eten.

Terwijl ik langzaam de soep naar binnenwerk begint de strijd. Stoppen en je bent klaar. Een heerlijke gedachte. Maar het is hier ook prachtig en als ik het goed heb hoef ik nog maar één klimmetje te doen voor ik bij de laatste twee stuwmeren ben. Vanaf daar is het nog 25 km, voornamelijk afdalen. Ik zie op mijn telefoon geen berichten van Vanessa en volgens de Datasport App loopt ze nog steeds. Benieuwd hoe het met haar gaat.

Slaapdronken vul ik mijn waterflesjes en eet nog wat meloen. Weg hier. Zolang ik nog een stap kan doen kom ik telkens dichter bij de finish. Het is maar goed dat ik het laatste klimmetje niet getraind heb afgelopen weken want het klimmetje blijkt een monsterlijk zware te zijn. Als ik, voor mijn gevoel behoorlijk ben opgeschoten, en op mijn horloge kijk, zie ik dat ik nog maar op 2100 meter hoogte ben. Heb nog maar 100 meter geklommen. Ik moet naar meer dan 2500 meter hoogte. Het demotiveert. Voor het eerst rust ik veel tijdens een klim. Elke keer als ik rust leun ik op mijn stokken en haal vijf maal diep adem. Daarna zet ik me weer in beweging. Het stuwmeer achter me is prachtig. Indrukwekkende witte rotsformaties rijzen op uit het water. Eromheen ligt een enorme troep grote rotsblokken. Hoe hoger ik kom hoe beter ik het kan zien. Wat een wonderlijke wereld.

Hoe mooi het uitzicht ook is, ik moet naar boven. Maar waar de top precies is kan ik niet zien. Wel zie ik lopers voor me opeens verdwijnen. Pas als ik eindelijk boven ben zie ik de smalle doorgang tussen de rotsen waar iedereen door verdween. Ik pers me erdoorheen en sta op de top: een gigantische stapel ongeordende grote stenen. Hoe ik hier afkom met mijn vermoeide lijf is mij een raadsel. Als ik fris zou zijn, zou ik er al een hele kluif aan hebben. Als er één moment is dat ik graag een jong, soepel lijf zou willen, is het nu. Maar ik zal het moeten doen met wat ik heb. Ik zoek de vlaggetjes om mijn richting te bepalen en ga half zittend op de stenen naar beneden. Terwijl ik als een oude bange man afdaal, komt Mirjam Steunebrink mij voorbij. Zij heeft er duidelijk minder moeite mee, al gaat ze vlak voor me bijna onderuit. Na deze steenzooi wacht een afdaling over een groot sneeuwveld. Ik zie hoe Mirjam een poging doet om skiënd af te dalen. Na een val gaat het haar redelijk af en al snel verdwijnt ze aan de horizon. Ik stuntel over de sneeuwvlakte. Met moeite lukt het me om een beetje te glijden, maar skiën kan je het niet noemen. Meerdere lopers komen me hier voorbij. Ze glibberen en glijden snel naar beneden.

Als ik de sneeuwvelden eindelijk bedwongen heb is het redelijk renbaar naar de stuwdam Moosersee. Vanaf daar is het allemaal bergafwaarts. Al is het redelijk renbaar hier het lukt me met veel moeite om kleine stukjes te rennen. Ondertussen begint het te onweren. Ik trek mijn regenjas aan en dribbel verder. Er moeten ook nog wat watervalletjes overgestoken worden. Soms is er een simpel bruggetje gebouwd, bestaande uit niet meer dan twee grote balken. Het is nog een hele uitdaging om deze zonder natte voeten te bereiken, en als je er eenmaal overheen loopt is het zaak om de verleiding, om je heen te kijken, te weerstaan. Het zien van het met veel geweld vallende water dat met een enorme kracht onder je doorstroomt, brengt je zo uit balans. Regelmatig sta ik puzzelend voor een oversteek. Waar is het pad? Waar kan ik het beste oversteken? Hoe moe ik ook ben, ik ben er voor mijn gevoel bijna en dat geeft weer energie. Energie genoeg om door te gaan en me te verwonderen over dit bizarre berglandschap. Het mentale deel van een onderneming als dit, blijft ook bijzonder: het ene moment wil je van alles af zijn en stoppen met dit gedoe, en het andere moment wil je nergens liever zijn dan hier, in deze race. Het is moeilijk om, ondanks de pijn en vermoeidheid, toch de helderheid van geest te behouden om de schoonheid te blijven zien van waar je bent en wat je aan het doen bent.

Bij de verzorgingspost ga ik even zitten, maar dan begint het echt hard te onweren. Ik ga snel op pad, voordat ze beslissen dat ik niet verder mag. De laatste 25 km is renbaar. Met het einde in zicht voel ik me opeens heel zeker. Al is het nat, de afdalingen gaan in een redelijk tempo. Angst om te vallen of door mijn enkel te gaan is helemaal weg. De laatste horde die ik nog moet nemen is langs een stier met jongen. Enkele weken geleden liepen we hier en werd een man aangevallen door de stier die zijn jongen beschermde. Ik zie dat het hek openstaat en ga ervan uit dat de stier er nu wel niet zal zijn. Maar als ik afdaal en de bocht om ga staat hij daar met twee jongen midden op het smalle pad. Ik twijfel geen moment, laat het pad links liggen en daal via het gras af. Als ik even later weer op de route ben en naar boven kijk, zie ik een aantal lopers voor de stier staan. Ik hoor ze wat overleggen maar ze durven niet te passeren. Ik roep nog wat in de hoop dat ze dezelfde weg nemen als ik.

De laatste 6 km is hoofdzakelijk asfalt. Heel hard regent het niet meer en ik doe mijn regenjas uit. Nog even hard rennen. Alle pijntjes zijn verdwenen in de wetenschap dat ik het ga halen. Doordat ik behoorlijk moe ben en even niet meer snap waar ik ben denk ik, vlak voor Kaprun, dat ik verkeerd loop, maar dan zie ik het bordje Kaprun.

Al is het al laat, ik word nog aangemoedigd in de laatste kilometers. Precies op het moment dat ik finish komt Vanessa naar de finish gelopen. Ze is gestopt, en was na veel onduidelijkheid, uiteindelijk door de vrouw van een andere Nederlander die ook gestopt was, terug naar Kaprun gebracht. Ze was net uit de auto gestapt en naar de finish gewandeld, precies op tijd om mij te zien finishen. Wat een timing.



Vanessa’s race verliep met wat tegenspoed doordat ze bij de één na laatste klim werd tegengehouden door een bergwacht, die haar adviseerde om terug naar de post te gaan ivm dreigend onweer. Maar na veel onduidelijkheid bij de post of de race nu was stilgelegd of niet, is ze toch weer, samen met enkele andere lopers, op pad gegaan. Ondertussen had ze een uur tijd verspeeld en ze was eigenlijk mentaal al gestopt. Om dan toch weer door te gaan is niet makkelijk. Toen ze de klim had volbracht en bijna bij de volgende controlepost was ging het toch onweren. Eenmaal binnen barstte het los. Ze was officieel 3 minuten te laat bij de controlepost. Sowieso was het met onweer en de vallende nacht niet verstandig om aan de laatste zware klim te beginnen. Ik vond het met droog weer en in het daglicht al een behoorlijk heftige klim en nog heftigere afdaling.

Zij en enkele andere gestopte deelnemers, konden met het laatste liftje naar beneden waar een busje zou staan die ze naar Kaprun zou brengen. Helaas stond er niets. De man van de kabelbaan wilde niet helpen. Hij had niets met de race te maken en sloot de boel. Niet echt Oostenrijkse vriendelijkheid. Een andere Nederlander die in het zelfde schuitje zat als Vanessa, had zijn vrouw gebeld, die ze uiteindelijk heeft opgehaald. Erg jammer want ze was er bijna en had het zwaarste al achter de rug.

groetjes,

Edward

Zie ook deze artikelen:
Nieuwere artikelen:
Oudere artikelen:

 
© 2000-2018  Loopgroep Bedum, webmaster Peter v.d. Hulst